Gedragsregels voor vogelaars

Hoe komen wij nu aan het woord uiver? Dat is de vraag die rechtstreeks verband houdt met de etymologie. Uiver heeft de ui van Uil, een woord dat in het middelnederlands Uul of Ule luidde. De eerste gedachte is dan: was Uiver dan mogelijk in het mnl ook *Uver? Schaars 1989 (Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse dialecten) vermeldt Uver als volksnaam voor de Ooievaar in Westervoort (Gld), maar ook alléén maar dáár. De naam Uver moet het afleggen tegen het veel vaker voorkomende Uiver, en dat in een streek waar men toch al weinig geneigd was de [uu] tot [ui] te diftongeren: men kent in de Achterhoek de Duuf, en niet de Duif, trouwens nog vaker is men daar ‘blijven steken’ (taalontwikkelingstechnisch gesproken) op Doef. Uver is dus waarschijnlijk een incidentele ontwikkeling: de doodenkele keer dat mensen ergens (hier in Westervoort) dachten dat Uiver misschien ten onrechte zo ‘deftig’ klonk, en er dus, meer dialecteigen, Uver van maakten.
Men kent in het mnl de Uuf en (het mv) Ufen, maar dit woord stond voor ‘Uil’ en er ontbreekt de r van Uiver aan. Dit Uuf is dus om die redenen waarschijnlijk niet de voorloper van Uiver geweest.
Schaars vermeldt als achterhoekse volksnaam uit 1895: Euver. Deze vorm komt (/kwam) ook in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen voor. De [eu] van Euver is vrij gemakkelijk te verklaren; als men het op z’n duits zou schrijven zou de spelling över zijn, en dan ziet men gelijk, dat er sprake is van umlaut van een eerdere [oo]: de [oo] van Ovaar, een naam voor de Ooievaar die in West-Vlaanderen ook werkelijk is opgetekend (door De Bo in 1892). En het Zuid-Oostvlaandersch Idioticon van Teirlinck (1908-1922) vermeldt Euvaard (naast Ooivaard), met umgelaute [oo] dus ook. Umlaut is een veel voorkomend fenomeen, niet alleen in het D, maar ook in het N en vlaams. Wanneer een klinker ‘omgeluid’ wordt en wanneer niet, is een vrij moeilijke taalkundige kwestie waar we nu niet op ingaan.

Gedragsregels voor vogelaars
De [ui] in Uiver, net als de [ei] in gronings Eiber en de [aai] in Aaiber, zal wel als een dialectisch bepaalde afwijking van de te verwachten klank ([oo] en [eu, ofwel ö]) moeten worden geïnterpreteerd. Men noemt woorden met zulke dialectisch bepaalde klinkers (die soms heel moeilijk in het reguliere spellingsbeeld tot uitdrukking te brengen zijn) heterofonen.
Wil men bepalen welke klinker in de vogelnaam de meest oorspronkelijke was, dan moet men weten wat de oorspronkelijke betekenis van de vogelnaam ooit was, en, in het geval van Ooievaar, uit welke woorden dit samengestelde woord nu in feite is gecomponeerd. De bovenstaande ets van de Uiver bevat, geraffineerd als hij is, mogelijk het antwoord. Aan de geboorte van de Uiver (en mogelijk de Ooievaar zelf) zou het germaanse woord *ud ‘moerassige plaats’ ten grondslag liggen: de oorsprong van het woord Ooievaar werd door de taalkundige Krogmann in 1936 bepaald op *Udafaran, oftewel ‘moerasganger’. Later is men de vogelnaam verkeerd gaan begrijpen en in de richting van wat men dacht dat het wezen moest gaan veranderen; men noemt dit volksetymologie. Het volk dacht, dat de naam van vadertje Langpoot eigenlijk ‘geluksdrager’ betekende. Voor de Ooievaar geen ongunstige wending, want men stelde uiteraard alles in het werk om zoveel mogelijk ‘geluksdragers’ in zijn woonomgeving aan te lokken. Dat de Ooievaar de kindertjes bracht speelde daarbij vast en zeker een rol, al weet ik niet wat hier oorzaak en gevolg waren. Ik verwacht dat er eerst de volksetymologische omvorming tot ‘geluksdrager’ was (de Ooievaar was bij de oude Germanen al voorjaarsbode [G&G]) en toen pas de verheffing tot symbool van de kindjesbrenger; maar misschien was het ook andersom.
In sommige volksnamen voor de Ooievaar heeft het woord heil zijn intrede gedaan: er bestaat de volksnaam Heileuver, wat mogelijk primair een gevolg was van zijn vermeende status als ‘heilbrenger’. Maar Suolahti 1909 (Die deutschen Vogelnamen) zegt, dat de l in die naam een verbastering van een eerdere n is; in Duitsland scheen de Ooievaar plaatselijk “Heinrich” te worden genoemd, vanwaar een D naam als Heinotter (<*Heinotber). Of Suolahti het daarmee bij het rechte eind heeft, is nog maar de vraag: de l in Heileuver kan mischien uit nòg andere hoek afkomstig zijn, nl. van *albho ‘wit’, een benoemingsmotief dat ook in D Weisstorch en deens Hvid Stork of F Cigogne blanche, It Cicogna bianca en portugees Cegonha branca of R Belyj Aist zit. Een reden om dat te vermoeden is gelegen in de volksnamen drents Luibert, brabants Ollievaor, zuidhollands Eilaver, de vormen Ellever en Elver en de D dialectvorm Elbiger (bij Schwenckfeld 1603), waarin wèl de letter l voorkomt maar waarin niets (/niet veel) aan een woord heil herinnert. De naam Elver ‘Ooievaar’ herinnert sterk aan de namen Alver (Alburnus alburnus) en Elft (Alosa alosa), twee vissoorten die hun naam ook al aan hun witheid dankten (Elft met umlaut van de A) en aan ohd albiz en elbiz, twee namen voor de ‘Zwaan’ (hèt symbool van witheid).

Post Tagged with

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *