Wat is de kortste Nederlandse vogelnaam?

Post Image

De Noren kennen de É. Dit is een volksnaam voor de Eidereend. In het nederlands zijn mij geen vogelnamen bekend die uit slechts één letter bestaan. De volksnaam Ka (‘Kauw’) moet dus wel, desnoods ex aequo met bijv Uk, de kortste zijn. Ka is zelfs een officiële naam, namelijk voor de Friezen [Boersma 1972].
De naam is een treffende geluidsnabootsing van de roep van deze soort, al of niet herhaald “ka” (eigen wn).
De Vries 1928 (Aves Frisicae) noemt Ka als eerste-keus friese naam, maar bij De Vries 1911 kwam Ka na fries Alk (zie Alk (3)) en Akke pas op de derde plaats, terwijl Albarda 1897 de volksnaam Ka wel noemt, maar niet speciaal voor Friesland. Misschien omdat de naam toch iets te kort van klank bevonden werd, ontstonden Torenka (z.a.), Kerkka of Skùsstienka.
De [aa]- en de [au]-klank komen in de naam naast elkaar voor bijv gronings Torenkà naast Kaauw [VPG] en Smit 1996 voor Dwingelo (Dr): “Een Torenka wordt ook wel Kauwgie enuumd”. Oostfries Ka, Kaa en varianten, helgolandfries Kauk [De Vries 1928; Wüst 1970]; achterhoeks Ka, liemers Kaai, Kaos [Schaars 1989]; zuidnederlands Kaai [WVD; WBD; WLD], Kaaf(ke), Kaiken en Kaken [WBD]. De tweede k is mogelijk steeds (een restant van) een verkleiningsuitgang, maar het is ook denkbaar dat hij deel uitmaakt van de zuivere onomatopee: immers, als de Kauw kort achter elkaar tweemaal “ka” roept, zou men, wat de medeklinkers betreft, ongeveer dezelfde vorm kunnen krijgen als Koekoek. F Choucas ‘Kauw’ (< Choucquas (1530)) vertoont ook de twééde k (geschreven c), evenals provençaals Choco (naast Chavo).

vogelnaam
Oudsaksisch/ohd/mnd (a) [Suolahti] >(?) deens (dial.) , noors Kaie, zweeds Kaja (ook: Kyrkkaja), E/schots Ka, Kae, Kay [Jackson 1968; De Vries 1911]; lübecks Kauke (1511), altmärkisch Kauk, tsjechisch Kavka (obecná), pools/wendisch Kawka (hiernaar de familienaam van de beroemde oostenrijkse schrijver Franz Kafka ((1883-1924) (?)).
In bulgaars _____ Tsjavka is de aanvangsmedeklinker gepalataliseerd.
In russisch _____ Gálka ‘Kauw’ is de k van de verkleiningsuitgang
-ka, die in veel R vogelnamen voorkomt.
E Chough ‘Alpenkraai’, maar vroeger ‘Kauw’ chogen (mv.) (c 1305) dat Sievers 1898 terugvoert tot oudengels cêo, wordt door Suolahti 1909 (daarom?) niet direct verwant geacht.
In meer talen zit vermoedelijk een onomatopoëtisch element in de naam voor de Kauw, maar het is zonder kennis van die talen niet met zekerheid te stellen, bijv in fins Naakka. Mogelijk ook in turks Küçük karga (=Kauw, ‘kleine karga’; naast Büyük karga (=Bonte Kraai, ‘grote karga’)).
Etymologie: < N Kae [Vierde Kiliaan c 16181] < mnl Ca (“Kerkkauw, torenka, eene kleine kraai”) [MH 1932], Kâ (Bern. c. 1240) [VT]. Deze namen zijn zuivere onomatopeeën, itt de namen rond Kauw, die van oorsprong halfonomatopeeën zouden kunnen zijn. Kauw kan echter ook in verhouding tot Ka staan zoals blauw tot mnl blâ en grauw tot mnl grâ.
Kauw Corvus monedula Linnaeus 1758.
De naam van deze alom bekende kleine Kraaiachtige lijkt een typisch voorbeeld van een klanknabootsende naam, een onomatopee, wat ook verondersteld wordt van de synonieme naam Ka (z.a.) voor deze vogel. NEW 1992 zet Kauw en Ka op dezelfde etymologische lijn, maar als Ka een zuivere onomatopee is, is dit niet helemaal terecht.
Etymologie: < N Kaauw [Houttuyn 1762] < N Kauwe1 [VK1 c 1618] < mnl Cauw, Cauwe (1279) (voor Ca en Kâ zie sub Ka); germ *kawô2 < idg gouâ ‘schreeuwen’ [VT 2000; MH]. Kauw is daarmee een halfonomatopee.
Ook bij enkele andere namen voor andere vogels in andere talen behoort eenzelfde wortel *kaw-/*gou- ‘schreeuwen, schreeuwer; een klagend geluid maken’; vgl Gr goa-oo ‘klagen’; vgl sub Ka, Kaugek en Katuil).
{ Een andere idg wortel is *(s)ker ‘een scherp schreeuwend geluid maken’; vgl hiervoor oa sub Aalscholver. }

1 VK, p.250: KAUWE, KAE. Monedula. gracculus (auis dicta à sono vocis quam edit) ger. sax. kaycke… ang. ka, kaddovv, chovvgh.
Men herkent hierin nog steeds bestaande E volksnamen voor de Kauw, te weten Caddaw (East Anglia) (vgl E Jackdaw), Chough (Cornwall) en Ka wattie, Kae en Kay (Schotland). 2 De huidige officiële D naam voor Kauw is Dohle; zie hiervoor sub Dale.

Kalle Zuidnederlands voor Kauw, Zwarte Kraai en/of Ekster (vooral tamme) [WVD 1996]. Kalle is ook: ‘domme praatzuchtige vrouw’ [vD 1970]. De naam komt ook als familienaam voor (en wordt dan ook wel Calle gespeld).
Etymologie: < mnl calle (=naam voor verschillende vogels; babbelaarster, liefje, snol) < mnl callen ‘kallen, praten’ (4e kwartaal 13e eeuw); verwant is het ww kouten. Buiten de germaanse equivalenten (vgl sub Kale Kadotter): Lat Gallus ‘Haan’; welsh galw ‘roepen’; oudkerkslavisch glasu ‘stem’ en glagolu ‘woord’ (vgl de Glagolitische Mis van de tsjechische componist Leoš Janácek) en litouws galsas ‘echo’. [VT 2000]

Kaugek Volks?naam voor Grote Stern (z.a.) op Texel [Van Bemmelen in Wickevoort Crommelin et al 1858; Dijksen 1992].
van Dale Etymologisch Woordenboek 1993: “het eerste lid is onduidelijk, mogelijk van kaab ‘kobbe, zilvermeeuw’; het tweede lid is ws ‘gek, dom’; vgl F Fou de Bassan (=Jan-van-Gent, letterlijk ‘Zot van Bassaan’) en N Mallemok en Dodo.”
vDE gaat dus uit van N oorsprong van de naam.
Temminck 1820 voerde de F naam Hirondelle de mer Caugek (>F Sterne caugek). De F naam zou uit het N overgenomen kunnen zijn; andersom zou evenwel ook kunnen. Als er van lenen sprake zou zijn, ligt het voor de hand te veronderstellen dat dit via het werk van Temminck is gebeurd.
“Kau-gèk” is een natuurgetrouwe weergave van de contactroep van de Lachstern Gelochelidon nilotica, in BWP weergegeven met “kay-vek”; onomatopoëtische invloed lijkt dan aan de orde. De naam is dan echter bij de Grote Stern wel minder op z’n plaats, want deze roept “starriet”.
Cabard & Chauvet 1995 vermelden, dat F Caugek van oorsprong een R naam voor een of andere Stern is; dit bleek (bij schriftelijke navraag) een misverstand.
Ernout 1959, Pollard 1977, Muller 1926 en Boisacq 1938 noemen Gr Kauax en Kauex [Wilms 970706,1] als naam voor “een soort meeuw” of als naam voor een Stern (vgl Gr goa-oo ‘klagen’; vgl sub Kauw). Het is niet zeker of hiermee de Lachstern, die in Griekenland algemeen broedt, werd bedoeld.

Post Tagged with
Read More

Gedragsregels voor vogelaars

Post Image

Hoe komen wij nu aan het woord uiver? Dat is de vraag die rechtstreeks verband houdt met de etymologie. Uiver heeft de ui van Uil, een woord dat in het middelnederlands Uul of Ule luidde. De eerste gedachte is dan: was Uiver dan mogelijk in het mnl ook *Uver? Schaars 1989 (Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse dialecten) vermeldt Uver als volksnaam voor de Ooievaar in Westervoort (Gld), maar ook alléén maar dáár. De naam Uver moet het afleggen tegen het veel vaker voorkomende Uiver, en dat in een streek waar men toch al weinig geneigd was de [uu] tot [ui] te diftongeren: men kent in de Achterhoek de Duuf, en niet de Duif, trouwens nog vaker is men daar ‘blijven steken’ (taalontwikkelingstechnisch gesproken) op Doef. Uver is dus waarschijnlijk een incidentele ontwikkeling: de doodenkele keer dat mensen ergens (hier in Westervoort) dachten dat Uiver misschien ten onrechte zo ‘deftig’ klonk, en er dus, meer dialecteigen, Uver van maakten.
Men kent in het mnl de Uuf en (het mv) Ufen, maar dit woord stond voor ‘Uil’ en er ontbreekt de r van Uiver aan. Dit Uuf is dus om die redenen waarschijnlijk niet de voorloper van Uiver geweest.
Schaars vermeldt als achterhoekse volksnaam uit 1895: Euver. Deze vorm komt (/kwam) ook in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen voor. De [eu] van Euver is vrij gemakkelijk te verklaren; als men het op z’n duits zou schrijven zou de spelling över zijn, en dan ziet men gelijk, dat er sprake is van umlaut van een eerdere [oo]: de [oo] van Ovaar, een naam voor de Ooievaar die in West-Vlaanderen ook werkelijk is opgetekend (door De Bo in 1892). En het Zuid-Oostvlaandersch Idioticon van Teirlinck (1908-1922) vermeldt Euvaard (naast Ooivaard), met umgelaute [oo] dus ook. Umlaut is een veel voorkomend fenomeen, niet alleen in het D, maar ook in het N en vlaams. Wanneer een klinker ‘omgeluid’ wordt en wanneer niet, is een vrij moeilijke taalkundige kwestie waar we nu niet op ingaan.

Gedragsregels voor vogelaars
De [ui] in Uiver, net als de [ei] in gronings Eiber en de [aai] in Aaiber, zal wel als een dialectisch bepaalde afwijking van de te verwachten klank ([oo] en [eu, ofwel ö]) moeten worden geïnterpreteerd. Men noemt woorden met zulke dialectisch bepaalde klinkers (die soms heel moeilijk in het reguliere spellingsbeeld tot uitdrukking te brengen zijn) heterofonen.
Wil men bepalen welke klinker in de vogelnaam de meest oorspronkelijke was, dan moet men weten wat de oorspronkelijke betekenis van de vogelnaam ooit was, en, in het geval van Ooievaar, uit welke woorden dit samengestelde woord nu in feite is gecomponeerd. De bovenstaande ets van de Uiver bevat, geraffineerd als hij is, mogelijk het antwoord. Aan de geboorte van de Uiver (en mogelijk de Ooievaar zelf) zou het germaanse woord *ud ‘moerassige plaats’ ten grondslag liggen: de oorsprong van het woord Ooievaar werd door de taalkundige Krogmann in 1936 bepaald op *Udafaran, oftewel ‘moerasganger’. Later is men de vogelnaam verkeerd gaan begrijpen en in de richting van wat men dacht dat het wezen moest gaan veranderen; men noemt dit volksetymologie. Het volk dacht, dat de naam van vadertje Langpoot eigenlijk ‘geluksdrager’ betekende. Voor de Ooievaar geen ongunstige wending, want men stelde uiteraard alles in het werk om zoveel mogelijk ‘geluksdragers’ in zijn woonomgeving aan te lokken. Dat de Ooievaar de kindertjes bracht speelde daarbij vast en zeker een rol, al weet ik niet wat hier oorzaak en gevolg waren. Ik verwacht dat er eerst de volksetymologische omvorming tot ‘geluksdrager’ was (de Ooievaar was bij de oude Germanen al voorjaarsbode [G&G]) en toen pas de verheffing tot symbool van de kindjesbrenger; maar misschien was het ook andersom.
In sommige volksnamen voor de Ooievaar heeft het woord heil zijn intrede gedaan: er bestaat de volksnaam Heileuver, wat mogelijk primair een gevolg was van zijn vermeende status als ‘heilbrenger’. Maar Suolahti 1909 (Die deutschen Vogelnamen) zegt, dat de l in die naam een verbastering van een eerdere n is; in Duitsland scheen de Ooievaar plaatselijk “Heinrich” te worden genoemd, vanwaar een D naam als Heinotter (<*Heinotber). Of Suolahti het daarmee bij het rechte eind heeft, is nog maar de vraag: de l in Heileuver kan mischien uit nòg andere hoek afkomstig zijn, nl. van *albho ‘wit’, een benoemingsmotief dat ook in D Weisstorch en deens Hvid Stork of F Cigogne blanche, It Cicogna bianca en portugees Cegonha branca of R Belyj Aist zit. Een reden om dat te vermoeden is gelegen in de volksnamen drents Luibert, brabants Ollievaor, zuidhollands Eilaver, de vormen Ellever en Elver en de D dialectvorm Elbiger (bij Schwenckfeld 1603), waarin wèl de letter l voorkomt maar waarin niets (/niet veel) aan een woord heil herinnert. De naam Elver ‘Ooievaar’ herinnert sterk aan de namen Alver (Alburnus alburnus) en Elft (Alosa alosa), twee vissoorten die hun naam ook al aan hun witheid dankten (Elft met umlaut van de A) en aan ohd albiz en elbiz, twee namen voor de ‘Zwaan’ (hèt symbool van witheid).

Post Tagged with
Read More

De Nolledijk

Post Image

Even ten westen van Vlissingen ligt de trektelpost Nolledijk, ook wel “De Nolle” genoemd. Het is niet één van de meest bekende telposten in Nederland, wat verklaard kan worden door de relatief korte telhistorie. Alleen in 1991, 1992 en 1993 en in mindere mate 1995, 1997 en 2015 was de post goed bezet. Gedurende de tussenliggende jaren zijn er slechts incidentele tellingen verricht.

Met ingang van najaar 2015 is geprobeerd om iets regelmatiger te tellen. Aangezien er nog nooit iets over de telpost is uitgewerkt, werd het tijd (zeker nu deze website ten tonele is verschenen) om met een aantal resultaten op de proppen te komen.

De Nolledijk

Beschrijving telpost

De telpost bevindt zich in ontoegankelijk terrein tussen Dishoek en Vlissingen. Grote aantallen bezoekers zoals op Breskens zijn hier niet gewenst. Een goede plek om te gaan staan is de grasdijk ten westen van het Nollestrand (blok 48-32-33) Hier werd gedurende de eerste jaren gepost. Een alternatief zijn de duinovergangen tussen Vlissingen en Valkenisse

Zowel de duinenrij als het bos zijn hier het smalst en is er vrij uitzicht naar alle richtingen: voor een deel over zee, duinen, bos en akker en stedelijke bebouwing.

Een zeer aangename bijkomstigheid is dat je redelijk uit de wind kunt staan of zitten, en vooral dat je geen last hebt van een opkomende zon. Vrijwel alle vogels komen namelijk uit een noordwestelijke richting aangevlogen.

Ten westen van de post ligt een lange en hoge duinenrij, tot ruim 45 meter hoog. Deze duinen oefenen op roofvogels een grote aantrekkingskracht uit vanwege aanwezige thermiekbellen. Vanaf de telpost kunnen deze vogels goed meegeteld worden.

In principe worden alle duidelijk trekkende vogels geteld, of ze nu met de verrekijker of met het blote oog zijn ontdekt. Richting en trekhoogte worden niet genoteerd. Door de soms massale trek word vaak gebruik gemaakt van handtellertjes.

Beschrijving najaarstrek

Zichtbare landtrek is slechts op enkele plaatsen in het Deltagebied redelijk massaal te noemen. In het voorjaar is dit in extreme vorm het geval op Breskens. In het najaar zijn vooral de omgeving van Westenschouwen (telpost De Punt) en de Nolledijk goed. Beide plaatsen zijn geografisch gezien een fuik voor vogels die niet direct grote wateroppervlakten willen oversteken. Het nadeel op Schouwen is dat vogels hier nog over een tamelijk breed front de Oosterscheldemonding op gaan. Bij de Nolledijk is de trekbaan veel smaller en overzichtelijker. Op het nabijgelegen Westkapelle kan op sommige dagen eveneens goede zangvogeltrek te zien zijn. Het accent op deze telpost ligt echter bij zeevogels.

Elke telpost in Nederland heeft zijn eigen specialiteiten. De Nolledijk kan zich qua aantallen van sommige soorten zeker meten met de betere telposten langs de Zuidhollandse kust.

Soorten die in vergelijking met andere telposten relatief algemeen langstrekken zijn: Kievit, Koperwiek, Zanglijster, Merel, Ringmus, Goudhaan, Zwarte Mees, Kauw, Keep en Ortolaan.

Goede trek wordt voorts gezien van Buizerd, Sperwer, Turkse Tortel, Veldleeuwerik, Heggemus, Kramsvogel, Spreeuw en Vink.

Opmerkelijk weinig trek wordt gezien van Graspieper en Witte Kwikstaart. Deze soorten steken de Westerscheldemonding westelijker over.

De trekrichting loopt min of meer van noordwest naar zuid tot zuidoost, bijna haaks op de trekrichting in de rest van Nederland die toch erg zuidwestelijk georiënteerd is. Op sommige dagen ( met name bij harde westenwind) vliegen enkele soorten juist voornamelijk naar west tot noordwest. Deze steken dan net ten zuiden van Westkapelle de Noordzee op in een pal westelijke richting. Het gaat hierbij vooral om Koperwieken, Spreeuwen, Vinken en Keep. Het zou interessant zijn om te weten te komen of deze vogels inderdaad vanaf Walcheren naar Engeland oversteken. Sommige soorten laten zich nauwelijks door de duinenrij stuwen en steken zonder aarzeling of koerswijziging direct in zuidwestelijke richting de Westerschelde over . Dit laatste geldt vooral voor Aalscholvers, ganzen, Kievit en Veldleeuwerik.

Roofvogeltrek kan zeer spectaculair zijn. In 1997 werden onder invloed van een harde noordoostenwind bijna 2015 Buizerds en 1000 Sperwers in enkele dagen (19 tot 21 oktober) samen met 18 Rode Wouwen geteld!

Er wordt niet consequent over zee gekeken. Trek van sterns en meeuwen wordt niet genoteerd.

Een opmerkelijk fenomeen is de doortrek van nachttrekkers door het struikgewas voor de telpost. Vooral Goudhaantjes, Tjiftjaffen en Zwartkoppen zijn regelmatig te zien. Uit het feit dat deze zangers in vrijwel alle gevallen richting zuidoost van struik tot struik hoppen worden ze gewoon meegeteld.

Leuke waarnemingen blijven natuurlijk ook niet uit.

Hoewel de soortenlijst in vergelijking met Breskens nog vrij mager is, zijn er wel enkele “goede” soorten op de Nolledijk waargenomen, zoals Steppekiekendief (gefotografeerd), drie Alpengierzwaluwen, Kleine Spotvogel, Pallas Boszanger, Steppeklapekster en meerdere Bos en Dwerggorzen.

Aan schaarse soorten geen gebrek. Met name Duinpieper, Grote Pieper, Ortolaan kunnen opvallend aanwezig zijn. Memorabel is de dag (11 sept 1992) toen de ene na de andere gemengde groep van Duinpiepers en Ortolanen doortrokken, af en toe met enkele Boompiepers en Gele Kwikstaarten. Deze dag leverde in totaal 52 Duinpiepers en 47 Ortolanen op.

Af en toe worden ook leuke zeevogels gezien als Rosse Franjepoot, Kleinste Jager, Vorkstaartmeeuw en Kleine Alk. Kuifaalscholvers zijn regelmatig ter plaatse aanwezig.

Met dank aan Sander Lilipaly voor het verzamelen van alle gegevens en het beschikbaar stellen van de resultaten.

Read More

Waarnemingen op Walcheren (e.o.) van 10 t/m 23 Januari 2016

Post Image

Walcheren
(voor totale telresultaten van Westkapelle , zie de Westkapelle-pagina
)
(voor totale telresultaten van Breskens , zie de Breskens-pagina)

In de Westkreek van Westkapelle zwom op 23/01 een Kuifduiker (TL). Een Parelduiker en een Roodhalsfuut snelden 17/01 langs de Westkapelle (CB, PB, JvdB, GD). Een Noordse Stormvogel passeerde deze locatie op zowel 15/01 (PAW) als 17/01 (TL) en Jan-van-Genten trokken hier langs op 16/01 (3 PAW) en 17/01 (10 TL e.a.). Op een paalhoofd bij Groot-Valkenisse zat op 15/01 een Kuifaalscholver (JG). Minstens 8 Kleine Zilverreigers bevolkten op 17/01 het Oude Veerseweggebied, omgeving Schellach (ook 5 ex. op 20/01, JW) en langs de Van ’t Hoffweg (CB); verder werden vogels waargenomen in de Kleverskerkseweg Weihoek op 16/01 (JW) en in de Rammekenshoek op 18/01 JW).

Groepen Kleine Zwanen pleisterden op (o.a.) 13/01 (61 JW) en 22/01 (62 CB) langs de Perduinsweg, op 13/01 langs de Breeweg (21 JW) en op 17/01 langs de Zandvoortweg (6 TL). Pleisterende Kleine Rietganzen werden de hele periode gezien langs de Van ’t Hoffweg (max. 69 op 17/01, CB), op 18/01 ten ZO van Domburg (JG, MK) en op 20/01 in de Oude Veerse (1 JW); noordelijk gerichte trek van deze soort werd opgemerkt vanaf de Westkapelse Zeedijk op 10/01 (380 NdS), 17/01 (46 TL) en 23/01 (17 TL) en boven Dishoek op 15/01 (600 JG). Groepjes Toendrarietganzen waren aanwezig ten ZO van Domburg op 18/01 (15 MK, JG) en langs de Oude Veerseweg op 22/01 (7 SL, CB). Hoge aantallen – voor Walcherse begrippen – Brandganzen verpoosden op 22/01 in het Oude Veerseweggebied, met 2200 getelde exemplaren (CB, SL). Hiertussen zat op 22/01 ook een hybride Grauwe Gans x Brandgans (CB, SL); wellicht dezelfde vogel werd 23/01 langs de Van ’t Hoffweg gezien (PB, TL).

Waarnemingen op Walcheren

85 Krakeenden zwommen 22/01 gezamenlijk op het Kanaal door Walcheren t.h.v. de Oude Veerse (CB). Te Westkapelle passeerden op 16, 17 en 18/01 resp. 1, 5 en 2 Grote Zee-eenden (PB, CB, JvdB, TL, PAW). Een hybride Kuifeend x Tafeleend dreef op 21/01 in de Veerse Kreken, alsmede 2 vrouwelijke Toppers (JW).

Leuk was een jagende Ruigpootbuizerd langs de Snouck Hurgronjeweg, westelijk van de Veerse Kreken, op 10/01 (BvdB, JSvD, MvD). Een adulte Slechtvalk zorgde op 22/01 voor een paniekgolf onder het gevogelte in het Zandvoortweggebied (WV). Smellekens jakkerden over het Oranjebos op 10/01 (GG), langs de Westkapelse Zeedijk op 14/01 (vr/onv RS) en door het Oude Veerseweggebied op 23/01 (ad mnl PB, TL).

Het Zandvoortweggebied zorgde op 12/01 weer voor een leuke plevier: een juveniele AMERIKAANSE GOUDPLEVIER (MH). De soort werd tot en met 14/01 onregelmatig gezien in het gebied; vrijwel altijd vergezeld van een grote groep Goudplevieren. Na 14/01 werden de Goudplevieren in het gebied wat mobieler en werd de bewuste vogel alleen nog gezien op 19/01 (PAW). De grootste kans om de grote groep Goudplevieren aan te treffen lijkt in de namiddag te zijn. Op 14/01 werd – in dezelfde groep! – een afwijkende goudplevier gezien, die later – aan de hand van foto’s – kon worden gedetermineerd als een juveniele AZIATISCHE GOUDPLEVIER (LeoB). Helaas bleef het bij deze eenmanswaarneming. De twee ‘kleine goudplevieren’ betroffen resp. het vijfde en zesde geval voor het gebied.

Leuk waren de binnenlandwaarnemingen van een Steenloper langs de Zandvoortweg op 13/01 (JW), 14/01 (TL) en 15/01 (JW). Een groepje van 5 Kemphanen scharrelden 23/01 in het Oude Veerseweggebied (PB, TL). In de Sloehaven foerageerden op 18/01 9 Grutto’s (JW). Witgatjes werden gezien in het Zandvoortweggebied op 15/01 (JHvS), bij Arnemuiden op 17/01 (PB), tussen de Pioniersweg en de Hoge Duvekotsweg bij Grijpskerke op 18/01 (2 JG, MK) en in het slibdepot langs de Oude Veerseweg op 20/01 (3 JW). 11 Houtsnippen werden op 10/01 tijdens hun voedseltrek onderschept bij het Oranjebos (GG).

Ronduit uitzonderlijk was het aantal Grote Jagers die op 16/01 werden geteld te Westkapelle; als gevolg van de stormachtige westenwind vlogen 11 vogels langs de post (PAW). Ook op 10/01 (NdS) en 17/01 (TL) passeerden een exemplaar de post; op laatstgenoemde datum vloog hier ook een ongedetermineerde jager langs (PB e.a.). Ook werden hoge aantallen Drieteenmeeuwen geteld op 16/01 (998, PAW) en 17/01 (1200, TL e.a.). Circa 400 langstrekkende Dwergmeeuwen werden hier geteld op 15/01 (PAW); curieus was de binnenlandse waarneming van een exemplaar bij Nieuwland op 17/01 (PB). Op de Zeedijk huisde op laatstgenoemde datum ook een adulte Geelpootmeeuw (NdS). Alken passeerden Westkapelle op 14/01 (RS) en 17/01 (div.). Een Kleine Alk snorde hier zuidwaarts langs op 14/01 (RS).

In de Veerse Kreken liet zich op 10/01 een IJsvogel zien (BvdB, MvD, JSvD); op 23/01 zat er ook één langs de Oude Veerseweg (PB, TL). Grote Gele Kwikstaarten golfden 10/01 over de Abdij te Middelburg (PB) en 23/01 over de Baaiweg, Westkapelle (TL) en bij het slibdepot in de Oude Veerse (PB, TL). Een Grote Gele Kwikstaart golfde 10/01 over de Abdij in Middelburg (PB); één van de standaard overwinteraars. De Rammekenshoek herbergde op 18/01 een Baardmannetje (JW). Een vrouwelijk Vuurgoudhaantje werd 17/01 opgemerkt bij het Noord-Bolwerk in Middelburg (JW).

Minstens 2 Noordse Kauwen scharrelden op 15/01 langs de Zandvoortweg (JHvS). Een winterse Roek was op 17/01 ter plaatse langs de Blauwpoortseweg te Meliskerke (JG). Leuk waren de 3 Geelgorzen (2 vrouw, 1 man) die 18/01 op aanspoelsel foerageerden in de Sloehaven (JW). Solitaire Sneeuwgorzen stiefelden 13/01 bij ’t Kiek’uus op de Zeedijk van Westkapelle (PAW) en 18/01 op het Nollestrand (JW).

Post Tagged with
Read More

Waarnemingen elders in het Deltagebied

Post Image

Tenminste 3 IJsduikers verbleven deze periode voor de Brouwersdam. Een adulte en een juveniele vogels waren aldaar aanwezig tot en met 10/01 (o.a. BvdB, MvD, JSvD). De juveniele vogel – die na 10/01 vrijwel dagelijks werd gemeld – kreeg op 20/01 gezelschap van een tweede juveniel (PAW e.a.). Er was een melding van een vierde exemplaar in de buitenhaven van Stellendam op 18/01 (HK). Een Parelduiker zwom op 22/01 voor de Brouwersdam (JG), alwaar op 10/01 14 Roodhalsfuten werden geteld (IG, CB).

De hele periode verbleven 2 Kuifaalscholvers op Neeltje Jans; op 17/01 werden hier 3 stuks gezien (div.). Op 10/01 werd er ook één waargenomen langs de Brouwersdam (MvD, BvdB, JSvD). Een Roerdomp ‘hoempte’ op 20/01 in het Rammegors (via PAW). 2 Grote Zilverreigers stonden 17/01 op de Hellegatsplaten (LeonB).

Waarnemingen

Het gezelschap Wilde Zwanen bij Zonnemaire groeit gestaag; op 18/01 verbleven hier 46 exemplaren (NS e.a.). 8 exemplaren van deze soort zaten 18/01 langs de Philipsdam (GV). Ten ZW van Zonnemaire waren op 22/01 tenminste 10 Taigarietganzen te vinden (JG). De groep Dwergganzen in het Oude Land van Strijen bestond deze periode uit minstens 32 exemplaren (21/01 GO); nog 2 exemplaren lieten zich de hele periode vinden bij Stad aan ’t Haringvliet (div) en op 21/01 (IM) en 23/01 (MH) scharrelde een adult, ongeringd exemplaar in de Yerseke Moer, nabij de postbrug. Roodhalsganzen werden op vijf verschillende locaties gevonden: in de Yerseke Moer van 16-18/01 (NdS e.a.), in de Koudekerkse Inlaag, Schouwen, op 17/01 (AvG), op de Slikken van Flakkee op 18/01 (ad NS e.a.), in het Oude Land van Strijen op 18/01 (DvH) en in het Stinkgat, Tholen, op 20/01 (via PAW).

Een Witbuikrotgans is nog steeds te vinden langs de Delingsdijk, Prunjepolder (div.); op 18/01 werden 2 vogels (ad en 2e-kj) gezien bij de Koudekerkse Inlaag op Schouwen (KV e.a.). 2 Zwarte Rotganzen – een adult met een juveniel – lieten zich vanaf 17/01 leuk bekijken in de Yerseke Moer (NdS e.a.). Een vrij zekere Hutchins’ Canadse Gans verbleef deze periode bij Stad aan ’t Haringvliet (div.). Adulte ROSS’ GANZEN werden voorts gezien bij Scheelhoek op 18/01 (NS e.a.) en in het Stinkgat, Tholen, op van 18/01 (GV) t/m 21/01.

De befaamde Brouwersdam liet zich ook weer van zich horen deze periode: een eerste winter mannetje BRILZEE-EEND werd op 18/01 op enige afstand ontdekt in een grote groep Zwarte en Grote Zee-eenden (RvO, CG). Tot en met (i.i.g.) 23/01 bleef de soort aldaar zichtbaar net ten NW of ter hoogte van het Spui. Naast de zeldzame eend waren op 20/01 aldaar ook minstens 84 Grote Zee-eenden aanwezig (PAW e.a.). Intrigerend was de aanwezigheid op 21/01 van een zee-eend met een opvallende oranjegele snavelvlek (o.a. TLe); de vogel zwom, net als de andere zee-eenden, ver op zee, zodat de determinatie van een Amerikaanse Zee-eend helaas niet sluitend gemaakt kon worden. Tenminste 45 en 25 IJseenden werden op resp. 18/01 (NS e.a.) en 20/01 (PAW e.a.) geteld voor de Brouwersdam; 2 exx. zwommen 11/01 bij de Maasmond (DS). Een exotisch mannetje Kuifzaagbek bevond zich op 18/01 in de omgeving van het Rammegors (GV).

Op 20/01 liet een onvolwassen mannetje Havik zich zien bij het Bokkegat, Noord-Beveland (RS); 21/01 werd een exemplaar waargenomen langs de Philipsdam (JL). De Slikken van Flakkee herbergden de hele periode 1 à 2 Ruigpootbuizerds, met een maximum van 3 adulte vogels op 20/01 (PAW e.a.). De juveniele Zeearend laat zich nog steeds bewonderen op de Slikken van de Heen (21/01 GO); tijdens een telling in Saeftinghe op 10/01 bleek ook aldaar nog een exemplaar aanwezig (via www.steltkluut.nl). Nog een exemplaar, ditmaal een volwassen vogel, koerste op 21/01 richting ZO over het Oude Land van Strijen (AdG, AZ). Een jonge Slechtvalk van kenmerken van de noordelijke ondersoort Toendraslechtvalk (F.n.calidus) verblijft al geruime tijd bij Kwistenburg, Veerse Meer, Zuid-Beveland (div.).

De eerste winter GROTE GRIJZE SNIP was tot en met (i.i.g.) 23/01 nog steeds te vinden bij de Schelphoek in het Veerse Meer; de vogel laat zich vaak aardig bekijken bij restaurant ‘de Meerkoet’, maar blijkt soms ook op het slik ten westen van deze locatie te foerageren. Ook de RINGSNAVELMEEUW van Goes is nog niet vertrokken; op 16/01 werd de soort gemeld bij de traditionele locatie bij de trekkerhandel. De hele periode overwinterden Grote Sterns langs de Brouwersdam, met een maximum van 4 ex. op 21/01 aan de zuidkant van de binnenzijde (JL). Alken dreven langs de Brouwersdam (2), bij Neeltje Jans op 10/01 (NdS) en 17/01 (div.) en bij Burghsluis op 18/01 (NS e.a.). Een Velduil werd 11/01 waargenomen in de buitenhaven van Stellendam (DS).

20 en 15 Strandleeuweriken werden op resp. 10/01 en 18/01 gezien bij de Kwade Hoek (IG / NS e.a.). Vermeldenswaard is de concentratie van minstens 41 getelde Waterpiepers in het Rammegors op 20/01 (via PAW). Er was een melding van een Notenkraker op 11/01; de vogel werd gezien langs de Zuiddijk bij camping De Quack (DS). Een Bonte Kraai vertoeft nog steeds op de Kwade Hoek (10/01 IG); op 17/01 (LeonB) en 21/01 (JL) werd er één gezien bij de Brouwersdam. Sneeuwgorzen scharrelden 10/01 op de Oesterdam (2 NdS), 17/01 op de meest zuidelijke pier aan de binnenzijde van Neeltje Jans (4 CB, PB, JvdB), (o.a.) 18/01 bij de Kwade Hoek (13 NS e.a.) en 21/01 op de Brouwersdam (2 AdG, AZ).

Post Tagged with
Read More